Passief bouwen als ingrediënt voor toekomstgerichte stedenbouw
Gepubliceerd 13 december 2025 | Update: 19 december 2025
Is passief bouwen een haalbaar concept voor grootschalige ontwikkelopgaven? Dat was thema van een inspirerende DNA-expertmeeting over toekomstgerichte stedenbouw. Vijf vooruitstrevende architecten en stedenbouwkundigen deelden hun ervaringen op het gebied van energiebewuste, integrale gebiedsontwikkeling. DAAD, rens, JADE, KAW en Bouwnext namen de aanwezigen mee in hun visie op toekomstgerichte stedenbouw en bespraken knelpunten en oplossingen. Lees hier een samenvatting van hun inzichten en best practice met hoge ambities.
Door Peter H. Smit en Clarence Rose
Stedenbouw en passiefhuis – impuls of gestoei?
Namens DNA in de bouw heette Clarence Rose de 5 sprekers en ongeveer 30 overige aanwezigen hartelijk welkom. Kort vertelt ze over waar de ledenvereniging DNA (De Nieuwe Aanpak) in de bouw voor staat. En over KERN en de Stichting WNR (Woonlasten Neutrale Renovatie). Beide stichtingen zijn voortgekomen uit DNA in de bouw. Als passiefhuisexpert is Clarence doordrongen van het belang van de oriëntatie van gebouwen op de zon. In deze expertmeeting verkennen wij de raakvlakken tussen stedenbouw en het realiseren van zeer energiezuinig bouwen.
Architectenbureau Daad: Dilemma’s stedenbouwkundig plan als basis voor passief bouwen
De eerste spreker, Martijn Prins van Architectenbureau DAAD in Beilen, is een gepassioneerde gangmaker van biobased en passief bouwen en stedenbouwkundige. DAAD architecten combineert stedenbouwkunde, architectuur en bouwkunde tot duurzame woningbouw. Dat dit best een uitdaging kan zijn laat Martijn ons zien aan de hand van een aantal van hun projecten.
Optimale verkaveling voor passief bouwen
In het stedenbouwkundig ontwerp zijn de voor- en achterkant van woningen leidend. De meest ideale verkaveling voor passief bouwen is de strokenbouw. Daarbij zijn woonblokken op vaste afstand van elkaar met een langsgevel op zuid georiënteerd. Een voldoende grote afstand tot elkaar zorgt voor optimale zontoetreding. In feite zien we deze strokenbouw in Nederland nauwelijks en staan lang niet alle huizenrijen in Nederland oost-west voor een gevel op het zuiden.
Privacy achtertuin of passief bouwen?
In de stedenbouw, zo Martijn, houd je rekening met veel factoren, het landschap, de ontstaansgeschiedenis, archeologische waarde… De afweging van alle belangen leidt vaak niet tot een verkaveling met veel zuidgeoriënteerde gevels. Bovendien hechten Nederlanders doorgaans veel waarde aan privacy in de achtertuin. Daardoor verrijzen er schuttingen en is er vaak slechts één zijde van woonblok beschikbaar voor sociale controle en interactie. Voor stedenbouwkundigen is daardoor de voorkant ‘heilig’ en plaatsen achterkanten dus zoveel mogelijk tegen elkaar, gescheiden door het typische Nederlandse achterpad.
In kleine inpassingsplannen, die moeten aansluiten op bestaande voor- of achterkanten, wordt het daardoor lastig om een voor passiefhuizen ideale zuidgerichte verkaveling (maximaal ±30 graden afwijking) te realiseren.
Martijn Prins: “Soms kun je in stedenbouwkundige plannen geen ideale uitgangspositie bieden voor de latere architectonische en bouwtechnische uitwerking..”
Veel zuidzon – minder netcongestie
In andere plannen lukte optimale zontoetreding op de zuidgevels gelukkig wel. Dat vereist soms wel een concessie aan aan andere stedenbouwkundige doelstellingen. Het is belangrijk dat alle stedenbouwkundigen doordrongen zijn van het effect van zon-georiënteerd bouwen. In feite is dit een onmisbare voorwaarde voor blijvend betaalbare huisvesting in de toekomst. Daarnaast kan het ook van belang zijn voor de dikte van elektriciteitskabels en het aantal transformatorhuisjes dat in een plan moeten komen. Zon georiënteerd bouwen kan zo bijdragen aan minder netcongestie.
Optimale voorwaarden scheppen met stedenbouwkundig plan
Met een stedenbouwkundig plan kunnen stedenbouwkundigen dus de basis leggen voor energiezuinige gebouwen. In de begeleidende beeldkwaliteitsplan kunnen ze ook aanbevelingen doen voor de architectonische uitwerking, bijvoorbeeld veel glas op het zuiden (met overstekken voor schaduw in de zomer). Of beplanting, die past bij de verkaveling (bijvoorbeeld boomsoorten, die veel zon naar de gebouwen doorlaten in de winter maar juist zon tegenhouden in de zomer). Het stedenbouwkundig plan bepaalt de belangrijkste randvoorwaarden die een gemeentelijke stedenbouwkundige mee kan geven aan de ontwikkelaars en hun stedenbouwkundigen. Zo geeft Martijn in zijn rol van gemeentelijk stedenbouwkundige soms ook randvoorwaarden mee waarin hij voorschrijft dat 80% van de woningen georiënteerd moeten worden op de zon.
Rens Architecten: Biobased en passief
Als tweede spreker deelt Sophie Schäfer van rens architecten uit Emmen haar visie en ervaringen met passief ontwerpen. Ruud Room is binnen het bureau bezig een app te ontwikkelen om de mate van duurzaamheid van een gebouw of een ontwerp te bepalen. Deze app houdt rekening met de levensduur van het gebouw en zijn materialen en beoordeelt het energieverbruik tijdens de gebruiksfase en de energie die besloten ligt in de bouwmaterialen. Houten gebouwen komen hierbij natuurlijk gunstig uit. Zo werken rens architecten in hun ECO15-concept met houten, geëngineerde casco’s als draagconstructie. ‘Cross-laminated timber’, oftewel CLT (kruislings verlijmd hout), is behalve constructief sterk te zijn ook brandveilig.
Sophie Schäfer: “Opslag van stroom heeft ruimte nodig. Houd daar rekening mee in de wijkinrichting.”
Voortuinen en zuidzon op de gevels
Ook in stedenbouwkundige opgaven probeert Sophie ‘passief’ te ontwerpen. Bijvoorbeeld door langs oost-west straten woningen aan de noordkant van de straat op de kavel wat verder naar achteren plaatsen. Zodat ze aan de zuidkant meer zoninstraling krijgen. Maar hierin moet je de gebruiker meenemen: In een geval had Sophie te maken met iemand die liever in zijn eigen achtertuin zat, dus die wou de woning toch naar voren geplaatst hebben.
Als gevolg van de toenemende elektrificatie verwacht Sophie ook batterij-huisjes in de wijken en ruimte voor thuisbatterijen in de woongebouwen zelf. Houd daar in renovatie- en nieuwbouwplannen rekening mee.

Passiefhuis-standaard lastig bij kleinere gebouwen
Voor de nieuwbouw van corporatiewoningen in Schoonebeek had rens architecten een biobased en passief ontwerp gemaakt. Daar is in de planuitwerking echter steeds minder van over gebleven. De investeringskosten lijken te hoog (en de voordelige gebruikskosten liggen nu eenmaal niet bij de corporatie). Carl-Peter Goossen kent het plan en stelt dat tussentijdse aanpassing van het ontwerp leidde tot een minder compact gebouw met relatief veel verliesoppervlakte, waardoor de passief-standaard lastig haalbaar wordt. Corporaties richten zich vaak op de grens van de huursubsidie, wat leidt tot kleinere woningen. Maar door de relatief grotere bouwkundige schil in relatie tot de gerealiseerde binnenruimte zijn kleine woningen juist duurder en lastiger warm te houden.
Draagvlak creëren bij beleidsmakers en beslissers
Om draagvlak voor een duidelijk op energie gerichte aanpak te ontwikkelen beveelt Sophie aan om de beleidsmakers en beslissers voorbeelden te laten zien. Ga als ontwerper en adviseur vroegtijdig aan tafel en pak je rol. In Heidelberg is een grote succesvolle passiefhuis-wijk ontwikkeld, Bahnstadt. Ze biedt aan om een excursie te organiseren en groepen daar rond te leiden.
KAW: Sociaal en betaalbaar, juist door passief bouwen
Voor de derde spreker, Danny van Persie van KAW, is betaalbaar wonen het speerpunt. Hij noemt voor zijn opdrachtgevers dan lage energiekosten zonder de term passiefhuis te gebruiken. Vaak is er belangstelling voor de sociale verbetering bij wijkvernieuwing. Daar kan energiezuinig bouwen toe bijdragen.
Integrale leidraad voor hoge ambities
Vier themas voor integraal plan
Voor een integrale benadering hebben ze ook energieneutraal wonen, emissievrije bouwmaterialen en natuur in de buurt toegevoegd als doelstellingen bovenop het sociale fundament. Deze vier thema’s worden gepresenteerd als kompas in de vorm van een cirkel, die steeds verder wordt uitgediept. Die cirkel met steeds fijnere partjes gebruiken ze zowel bij de ambitiebepaling met opdrachtgevers als voor de projectevaluatie binnen hun bureau. Het vormt een kapstok om doelstellingen mee af te spreken op de vier thema’s. Door samen met de opdrachtgever het kompas in te vullen zorgt het voor eigenaarschap binnen het complete projectteam. Als hun stedenbouwkundig werk erop zit zal het kompas nog richting geven aan ontwerpers en partners die daarna aan het plan werken.
Traptreden naar gegarandeerde energieprestatie
Daarnaast heeft hun bureau een getrapte procedure ontwikkeld om tot een specifieke uitwerking, gericht op de streefwaarden per thema, te komen. De traptreden zijn: gebruik maken van wat er is, aanhaken bij natuurlijke processen en gewoontes, optimaliseren, integreren, en de cirkel sluiten/ toevoegen wat nog ontbreekt/ resten opruimen. Op die manier wordt hetgeen de meeste impact heeft als eerste aangepakt. Van verbeteringen groenstructuren tot duidelijke aantallen soorten per buurt, en van energiebesparing tot gegarandeerde energieprestatie per m2.
Ambities en streefwaarden haalbaar en toetsbaar
Deze tools ondersteunen het bureau en hun opdrachtgevers om tot een integrale duurzame aanpak te komen. En dus om ambities echt te realiseren en prioriteiten te stellen. Bijvoorbeeld eerst zo goed mogelijk gebruik maken van de zon en dan pas kijken naar isolatie (en oplossingen met warmteterugwinning). En om breder te kijken dan alleen het gebouw. (Bijvoorbeeld aandacht te geven aan schaduwwerking van het ene gebouw op het andere.)
Het is een soort toets en stimulans om vooral te letten op thema’s waarop de streefwaarde nog niet gehaald wordt. Binnen het bureau kan besproken worden waarom in het ene project andere streefwaarden gehaald worden dan in het andere project. Dit is net zoiets als het toetsen van een stedenbouwkundig plan aan de gebieds- of beleidsvisie, die aan een stedenbouwkundig plan vooraf gaat. Die visies kunnen reeds vermelden dat de gebouwen energiezuinig moeten worden (en/of generatie-bestendig en/of biobased of circulair, o.i.d.). Ook maken duidelijke doelstellingen op dat niveau het makkelijker om radicale keuzes te maken. Bijvoorbeeld voor sloop-nieuwbouw, als daardoor een bouwblok gedraaid kan worden voor betere bezonning.
Verder dan Passief bouwen
De vierde spreker was Eelco Dekker van JADE architecten in Rotterdam. Zijn indruk is dat men inmiddels wel meer wil dan een passief gebouw. Hij ziet bij gemeenten en woningcorporaties de behoefte om te voldoen aan de “Paris Proof targets” mede om voorbereid te zijn op de nieuwe EU regelgeving die in 2027 uitgerold wordt. Dit betekent naast sturen op energiereductie, en de daarbij horende lage CO2 emissies, ook sturen op biobased materialen en aanpasbaar en demontabel bouwen.
Passief bouwen met duurzaam materiaalgebruik
Verschillende gemeenten hebben vragen zoals waar ze op moeten letten als ze duurzaam en sociaal verantwoord willen bouwen. Wat zijn de aandachtspunten bij het maken van het stedenbouwkundig plan. Naast energiebesparing kijken ze ook naar klimaatadaptatie en afbreekbare materialen, en naar nieuwe financieringscriteria nu beleggingsfondsen duurzaamheid gaan meenemen in hun keuzes. Een drijfveer voor passief bouwen zou ook de trend bij beleggers kunnen zijn die inmiddels een CO2-plafond hanteren. Er wordt simpelweg niet meer geïnvesteerd in projecten die boven hun CO2-plafond uitkomen. Bij Paris Proof bouwen kan het hergebruik van sloopmateriaal dan weer helpen.
Eelco pleit ervoor om naast de energie-inhoud van bouwmaterialen ook aandacht te geven aan de materialen voor de installaties. Deze kunnen met een goed passief ontwerp sterk verminderd worden wat weer gunstig is voor de energie-inhoud van het geheel. Ook is de mate, waarin het gebouw aanpasbaar zal zijn, van belang: giet leidingen niet meer in beton want dan kun je er nooit meer bij (en verandert de isolatiewaarde van dat bouwonderdeel). Maak een demontabel gebouw zodat onderdelen elders gebruikt kunnen worden of als relatief schone reststroom verwerkt kunnen worden. Dit reduceert de CO2 -emissie in de toekomst bij de verbouwing, renovatie of sloop van het gebouw.
Passief bouwen zonder schuttingen
Een geslaagd voorbeeld is een nieuwbouwproject in Krimpen aan den IJssel waar gestreefd is naar optimale bezonning en sociale controle door alle schuttingen weg te laten en de, normaliter losse bergingen in de tuin, onder te brengen in de schuurwoningen. Dat leidde wel tot vraagtekens voor degene die de waarde van de grond moest vaststellen, omdat een dergelijk model niet paste in de Excel-sheets.
Afwegingen met oog op de lange termijn
Ook dit bureau heeft te maken met projecten die als passief worden ontworpen maar waarop bezuinigd moet worden. Niet perse vanwege het passief bouwen overigens, er spelen veel meer factoren mee zoals de nu nog duurdere houtbouw. De vraag is dan steeds: “als we x weglaten voldoet het geheel dan nog aan de passiefhuis-standaard?” Beter zou zijn om te kijken hoe de investeringskosten zich verhouden tot de kosten van gebruik (o.a. energie) en onderhoud (o.a. afschrijving van installaties).
Zo laat een grote wooncorporatie nu door JADE een recent ontworpen project doorrekenen met de passiefhuis-standaard als leidraad. Om van te leren voor komende projecten. JADE maakt dan een vergelijking tussen BENG+BBL aan de ene kant en passief aan de andere kant. Ook vinden ze het fijn om een tussenoplossing te zien zodat er echt keuzes gemaakt kunnen worden gebaseerd op de totale levensduur van het project en wordt een traditioneel casco vergeleken met een bio-based casco. Het is dus zaak om het financiële plaatje voor de lange-termijn in beeld te brengen.
Volgens Eelco helpt het om alle keuzes met hun redenen vast te leggen, zodat latere betrokkenen bij een project kunnen zien wat allemaal moet worden heroverwogen als ze af willen wijken van het plan.
Balanswijk als oplossing voor netcongestie
De vijfde en laatste spreker, Carl-Peter Goossen van Bouwnext in Ede, presenteert de resultaten van het Duurzaam energie-perspectief (DEP)-onderzoek van Alliander naar een balanswijk. Daarin zijn voor diverse scenario’s de haalbaarheid en consequenties voor de wijk in kaart gebracht.
Balanswijk 1.0: Passief bouwen basis voor balanswijk
Het vertrekpunt (Balanswijk 1.0) is een op zichzelf staande wijk van 250m*250m met 2500 woningen zonder netaansluiting waarin de energiebehoefte en het aanbod op elkaar zijn afgestemd, rekening houdend met onze seizoenen. Hiervoor zijn naast veel ruimte voor het opwekken van elektriciteit ook zo’n 1300 zeecontainers voor energieopslag vereist. Ruimteverwarming is hierin een belangrijke factor. Daardoor staat Passief bouwen, ook volgens dit onderzoek, helemaal bovenaan om een duurzame energie-levering op wijkniveau haalbaar te maken.
Dit onderzoek heeft geleid tot een aantal ontwerpaanbevelingen voor netbewust bouwen.
Onderzoek Balanswijk 2.0
De aanbevelingen uit het onderzoek Balanswijk 1.0 zijn meegenomen in het vervolgonderzoek Balanswijk 2.0. Hierin zijn drie scenario’s uitgewerkt. Bij twee van de drie scenario’s is passief bouwen als uitgangspunt genomen (de scenario’s all electric individueel en collectief).

Scenario BENG + collectieve warmte
Het scenario met collectieve warmte gaat uit van de huidige BENG-norm. Hierin zorgen overgedimensioneerde opwek uit zon en wind in combinatie met geothermie en een collectieve hoge temperatuur-opslag tot een reductie van de behoefte aan zeecontainers van 60%. Maar hoge temperatuuropslag blijft een uitdaging: Een ingepakt huisje vol graniet kan in de zomer tot 800oC opwarmen met overtollige stroom. Maar deze temperaturen zijn minder geschikt voor warm-tapwaterbereiding omdat de warmteoverdracht lastig te regelen is en tot veel verlies leidt.
Een ondergrondse opslag voor water van 90oC bespaart grondoppervlakte. Maar zelfs bij een hele grote put (weinig oppervlakte t.o.v. de inhoud) zou ook hierbij veel warmte verloren gaan. Door verdere optimalisaties zoals passief bouwen, spreiding van gelijktijdige energievraag of aanpassing van gedrag kan de benodigde opslag natuurlijk verder worden verlaagd. In dit scenario is het benodigde aantal zeecontainers het laagst, hun opslagcapaciteit is 71,6 in plaats van 3220 MWh zoals in het vertrekscenario Balanswijk 1.0.
Scenario Passief + all electric collectief
Het scenario all electric collectief omvat een lage-temperatuurwarmtenet aangesloten op een wijk-WKO van 2,3 MW thermisch vermogen. De warmte of koelte hieruit zou rondgepompt moeten worden door een warmtenet. Uitgaande van de opgepompte warmte kunnen warmtepompen efficiënt werken en hoeven ze minder groot te zijn. De vrijstaande woningen zijn voorzien van individuele en appartementengebouwen van collectieve warmtepompen. In deze passiefhuiswijk is de opslagcapaciteit 98,1 MWh.
Scenario Passief + all electric individueel
In dit scenario zijn de huizen voorzien van een individuele opslag. Hierbij wordt gepoogd de wijk onder de 1,24 kW gelijktijdigheid te houden. Zo wordt bijvoorbeeld het laden van elektrische auto’s in de wijk centraal geregeld en moeten prijsverschillen de gebruikers motiveren om tijden te kiezen waarop elektriciteit in ruimere mate beschikbaar is. De uitdaging ligt in de dagelijkse piek in energiebehoefte. De energievraag om te koken en te douchen valt wel mee, de grootste piek zit in het verwarmen. (Daar kan zeer energiebesparende bouw veel aan doen. Bij passiefhuizen is het advies altijd om de thermostaat de hele dag door op hetzelfde niveau te houden: dan is er nauwelijks een piek.)
Ook het individueel scenario draait om het lage-temperatuurwarmtenet. Zo’n warmtenet kan ook overtollige en rest-warmte uit bijvoorbeeld het riool en van warmtewisselaars onder verharde oppervlakten hergebruiken. Door overtollige warmte af te voeren met het warmtenet en/of de WKO voorkom je ook plaatselijke oververhitting. Dat zorgt voor een beter leefklimaat in de wijk en ook bermen en sloten zijn beter af bij minder hittestress.
Dit scenario leidt tot een benodigde opslagcapaciteit van 84,3 MWh. Hiervoor zouden per woning 2 of 3 ‘Powerwalls’ van Tesla volstaan.
Ontwerpregels voor optimale zontoetreding
Voor dit scenario waren een aantal optimale ontwerpregels opgesteld met nadruk op de zuidoriëntatie van de gebouwen en het vrijwaren van schaduw. Carl-peter benadrukt dat de oriëntatie van de woning niet heel veel uitmaakt als de meeste ramen maar gericht zijn op ergens tussen het zuid-oosten en het zuid-westen.
De resultaten zijn verder uitgewerkt in de Handreiking Netbewuste Energieconcepten waarin de meerkosten voor de investering voor de verschillende scenario’s in beeld zijn gebracht. Opvallend daarin is dat de meerkosten voor een passiefhuiswijk in combinatie met lucht-luchtwarmtepompen nihil zijn ten opzichte van de huidige reguliere aanpak.

Carl-peter Goossen: “In dat tabelletje kijkt men naar een thermisch vermogen tussen 35 en 15 W/m2. Een passiefhuis zit rond de 10 W/m2. Daar volstaat een simpele lucht-lucht warmtepomp (één simpele airco is dan meestal al voldoende). Dan verdwijnen de meerkosten als vanzelf.”
Aanbevelingen
Ten slotte ging Clarence langs bij de sprekers met de vraag: ‘Wat zou je helpen om zeer energie-besparende plannen te maken en te laten landen?’. Genoemd werden:
- Kennis. Informatie, voorbeelden, kansen voor derden om ervaring op te doen.
- Eigenaarschap. Laat het hele team en de opdrachtgever zich verbinden met bepaalde doelstellingen. Neem energiezuinig bouwen vroeg in het proces op als doelstelling. Het is lastig om een trein, die eenmaal rijdt, van richting te doen veranderen.
- Ontkracht het idee dat veel niet kan vanwege ‘regels’. Vaak komen die ‘regels’ slechts neer op wat men gewend is te doen. Het zou wel helpen als de gelijkwaardigheid van passief bouwen met de BENG norm én labels officiële erkenning krijgt. Zodra daarvan een voorbeeld bestaat zullen er meer projecten volgen.
- De ene regio is de andere niet. Een grote gemeente kan meerdere plannen laten maken en vergelijken. Maar in gemeenten in krimpgebieden is woningbouw aan zich al nauwelijks rendabel.
- Wijs niet alleen op de financiële voordelen. Een project met een minimale piekvraag heeft meer kans om snel te worden aangesloten op het elektriciteitsnet.
- Laat zien wat we doen en bereiken. De “opinie” was dat passief bouwen te duur en extreem is, maar dit is gaan kantelen. Kijk opnieuw of er kansen zijn.
Dus kom naar het Lowtech Congres op 26 maart 2026 en laat je inspireren over wat er tegenwoordig wel mogelijk is.
